Waterloo

Gedicht van Carolus Waelbers (1940 ?)
OP WATERLOO
-----------
Hendrikus Schiervel, der gemeente 's Graven-Voeren,
Zoon van den Halefwin van 't hof van Altembrouck,
Huwde het enig kind, de dochter van zijn heere,
Streed met zijn vorst in 't veld te Waterloo, zeer kloet.
Daarom sloeg hem de prins Wilhelmus van Oranje,
Tot ridder van de kroon, veradelde zijn naam,
En van die tijd schreef men "de Schiervel" met klein "d" ke 
Opdat men weten zou de oorzaak van zijn faam.

In 't zelfde jaar verrees in Altembroucker bossen, 
Een jachthuis, net gebouwd, bedekt met gouden stroo, 
om held en slagveld, aan de nazaat te herdenken, 
En daarom draagt het ook de naam : "Op Waterloo".
Het kleine paviljoen staat hoog tussen de bomen,
De weg van 't jagershuis, brengt u aan zijnen voet ;
En langs het kronklend pad, gaat gij weer naar beneden, 
Nabij het oud barrier, waar gij eens opzien moet.
De kleine belvideer, op zes pilaren staande, 
Bereikt men langs de trap, in ouderwetse stijl 
Het is een ronde plaats met stoelen en een tafel, 
Waar jagers na de jacht, zich rusten ene wijl.
Zij drinken er de wijn van 't landhuis hier gedragen, 
Verhalen op hun beurt, de daden van de jacht ; 
Des heren jongste vriend, blaast luid de jagershoren, 
Die weerklinkt in het bos, zeer helder in de nacht.
De oude heer is dood, hij joeg zo vele jaren,
Het slot is onbewoond, 't schijnt alles in verval ;
Het paviljoentje treurt, om 't afscheid van zijn heere, 
Geen vrolijk jachtgeknal, weerklinkt meer door het dal.
Zo gaat de roem voorbij van heren en gebouwen,
De goede vriend Mathieu, slentert nog eenzaam rond ; 
Loopt door het somber bos, ziet de konijntjes spelen, 
Rust uit "Op Waterloo" in vriendschap met zijn hond.
1940	Carolus Waelbers.